soon

Boodschapavonturen Maart

March 3rd, 2010 by knut bipspoeder

Last updated: tien woensdag

pulpfictie
STEM KNUT DAN TOCH!!


De zon had zijn hoogste punt bijna bereikt, het zou de warmste dag van maart worden. Al de hele ochtend wist onze held geen internetverbinding tot stand te brengen en de middag begon al aan te breken. De onrust groeide en ten einde raad besloot hij dat hij toe was aan een flinke wandeling in het prachtig aangelegde voedselpark van de grootgrutter. Even uitgraaien, wat hamsteren, dat zou wellicht wat ontspanning geven! Maar dat liep allemaal net iets anders af. Dit is wat er gebeurde, luister: Knut staat inmiddels met een volle mand voor de kassa na een uitputtende tocht langs de kazen en de warme bolletjes, het zweet giert hem over de rug en zijn wangen zijn roodgloeiend.  ’Wat zijn ze mooi en het is geeneens nog niet geen lente!’   Net als zonet bij de broodafdeling moet hij zich bedwingen niet teveel naar het meisje in functie te kijken en hij staart diep de ruimte in, wel helemaal tot aan de service-point, verder lukte niet. Bij de service-point was dat inmiddels ook opgevallen en het dienstdoende meisje daar maakt een iets verderop staande man van de bewaking er op attent. Zodoende wist onze Knut Bipspoeder zich in korte tijd overmeesterd en stond hij zich wijdbeens te verontschuldigen dat het maar gedachtes waren geweest. Maar in de gedachtes van Knut waren ze allerminst geïnteresseerd, ook de kassameisjes niet en daarmee deden ze zichzelf ernstig tekort.

Hondsmoe streek het eerste ochtendlicht neer over het asfalt, daarna over de stoepen. Knut zat alweer achter zijn beeldscherm, zijn computer ronkte dat het een aard had. Zelf ook genoegzaam knorrend sleepte hij nog een aandeel Ahold in het mandje. Buienrader.nl beloofde weinig goeds voorlopig, dus een paar extra aandeeltjes in het supermarktwezen moesten die week wel genoeg rendement opleveren. Tussen twee buien doorglippend kon hij zodirekt zelf ook even fijn wat boodschapjes binnenhalen, wat moest je ook anders met dit weer.

We leven in duistere tijden. Niet eerder had Knut zich zo betrokken gevoeld bij de samenleving dat hij in termen van ‘we’ sprak. Terwijl Knut zijn veters strikte om nog wat zaken in huis te halen, begonnen nog meer wolken zich rond de zon samen te pakken. Op weg naar de supermarkt had hij verder geen noemenswaardige gedachtes omtrend het thema ‘we’, tijdens het boodschappen doen evenmin en op de terugweg al helemaal niet. Op de terugweg denk je aan waar je het eerst aan gaat zitten knagen eenmaal thuis gekeerd. Want wie het water in de mond loopt denkt niet in termen van ‘we’, of er moet al een kassameisje in het spel betrokken zijn.

Al voor de kerkklok tien had geslagen was onze Knut Bipspoeder die ochtend binnen de vertrouwde muren van zijn supermarkt te vinden. Zijn lippen aflikkend wist hij zich omringd door de lekkerste en meest voedzame produkten die de Industriële revolutie had voortgebracht. De mooiste fabriekshallen haalde hij zich voor de geest, onberispelijk aangeveegd en bevolkt door arbeidersvrouwen in aseptisch, glanzende, plastic pakken. Er kwam feitelijk geen boerderij meer aan te pas, laat staan een koe. Toen er echt helemaal niets meer in het mandje bij pastte, schreed onze held, een koning klant waardig, richting de kassa’s. Nederig hield de dienstdoende Ivana haar blik afgewend gedurende de hele transactie. ‘Bonnetje, meneer?’ klonk het mechanisch.

In lange schaduwen moest ik vanmorgen mijn weg naar de supermarkt zien te vinden. Hoewel de huizenblokken aan de Boteringestraat een al te drieste opkomst van het daglicht belemmerde, was ik genoodzaakt delen van de heenweg met de hand voor ogen af te leggen, de eerste zonnestralen afwendend. Toch is het aan weerszijden van de werkdag goed boodschappen doen. s’Morgens, als mijn kassameisjes nog hun ogen uitwrijven, biedt zich de gelegenheid aan ze te vragen of ze lekker geslapen hebben en des s’avonds net voor sluitingstijd en je ze kan zien gapen, wens je je kassameisjes een welterusten. Slaperig klinkt een ‘bonnetje meneer?’ het mooist en slaperig zijn ze aan beide weerszijden, daartussen ruineert de routine het voor de ware avonturier.

Maarliefst drie mobiele toilethokken stonden er op de hoek van de De Butjesstraat. De Butjesstraat, een weinig tot de verbeelding sprekend straatje met aan weerszijden goedkope huurhokken en studiekamers, lag er opengebroken bij. Schijnbaar werkten er aan dit voetpad met een stukje rijbaan gedurende daguren een dozijn stratenmakers die elk kwartier met hoge nood voor een toilethok stonden te trappelen. Ik wilde mij er niets bij voorstellen. Een koude wind blies rondom het pisgele ding. ‘Te huur, ook voor particulieren’ stond er op een aangehechte sticker te lezen, wiens loszittend hoekje mij nerveus toewoof. Al ras was ik het hele gebeuren met in hoge nood verkerende straatleggers vergeten en stapelde de blikken snert hoog op in mijn mandje. Het was maart en eigenlijks al volop lente, mijn kassameisje Petra kon een lach niet onderdrukken terwijl ze de blikken snert op haar af zag komen. Vlot tikte ze de blikken over de scanner, waarna ik ze in dezelfde, vloeiende beweging in de plastic tas liet terechtkomen. Volop voorjaar, maar s’avonds kon het nog bitterkoud aanvoelen buiten. Gehaast spoedde ik mij door de Butjesstraat terug naar huis. De geur van lentebloesem vulde mijn neus, een openstaande deur van het straatsanitair klapperde in de wind.